Gedichten van Thich Nhat Hanh

Ons ware erfgoed

De kosmos is gevuld met kostbare juwelen.
Ik wil jou daar deze morgen een handvol van geven.
Ieder moment van je leven is een juweel,
dat schittert en aarde en hemel,
water en wolken bevat.

Alleen als je zachtjes ademt
worden de wonderen vertoond.
Opeens hoor je de vogels zingen,
de dennen neuriën,
je ziet de bloemen bloeien,
de blauwe hemel,
de witte wolken,
de glimlach en de prachtige blik
van je geliefde.

Jij, de rijkste persoon op aarde,
altijd bedelend om een stuk brood,
wees niet langer het berooide kind.
Kom terug en eis je erfdeel op.
Laten we blij zijn met ons geluk
en dat aan iedereen uitdelen.
Koester het hier en nu.
Laat de stroom verdriet maar los,
en sluit heel het leven in je armen.

Noem me bij mijn ware namen
Zeg niet dat ik morgen ga
als zelfs vandaag nog komen moet.
Kijk naar me: elke seconde verschijn ik hier
om een knop aan een lentetak te zijn,
een vogel met nog tere vleugels
die in mijn nieuwe nest leert zingen,
om een rups te zijn in het hart van een bloem,
een juweel omgeven door gesteente.

Altijd nog kom ik om te lachen en te huilen,
te vrezen en te hopen.
Het ritme van mijn hart is het komen en gaan
van al wat leeft.

Ik ben de eendagsvlieg die van gedaante wisselt
op het water van de rivier.
En ik ben de vogel die een duikvlucht maakt
om de vlieg te verorberen.

Ik ben de kikker die vrolijk zwemt
in het heldere water van een vijver.
En ik ben de ringslang die stilletjes
zich voedt met de kikker.

Ik ben het kind in Oeganda, vel over been,
mijn benen als dunne bamboe.
En ik ben de wapenkoopman,
die dodelijk wapentuig aan Oeganda verkoopt.

Ik ben het meisje van twaalf,
een bootvluchteling die zich in zee stort
na te zijn verkracht door een piraat.
En ik ben de piraat,
met een hart dat niet zien kan
niet liefhebben kan.

Ik ben lid van het politbureau
met macht in mijn handen.
En ik ben de man die zijn bloedschuld
aan mijn volk moet betalen
dat langzaam sterft in een werkkamp.

Mijn vreugde is als de lente, zo warm
dat de bloemen overal op aarde ontluiken.
Mijn pijn is als een rivier van tranen,
zo onmetelijk dat zij alle oceanen vult.

Noem me daarom bij mijn ware namen, alsjeblieft,
zodat ik al mijn huilen en lachen tezamen hoor,
zodat mijn vreugde en pijn één zijn.

Noem me bij mijn ware namen, alsjeblieft,
zodat ik kan ontwaken
en de deur van mijn hart open kan staan,
de deur van mededogen.

 

 

Geen komen, geen gaan

Dit lichaam is niet ik.
Ik ben niet gevangen in dit lichaam,
Ik ben leven zonder grens.
Ik ben nooit geboren en ik sterf nooit.

Kijk naar de oceaan en naar de hemel vol sterren,
manifestaties van mijn wonderlijke, ware geest.

Sinds de tijd zonder begin, ben ik altijd vrij geweest.
Geboorte en dood zijn slechts deuren waar we doorheen gaan,
heilige drempels op onze reis.
Geboorte en dood zijn een verstoppertjesspel.

Dus lach met mij,
houd mijn hand vast,
laten we elkaar gedag zeggen,
gedag zeggen om elkaar weer te ontmoeten.

We ontmoeten elkaar vandaag,
we zullen elkaar morgen ontmoeten,
we ontmoeten elkaar ieder moment aan de bron,
we ontmoeten elkaar in alle vormen van het leven.